(Huil)baby's

 

Baby's en jonge kinderen reageren meestal erg goed op osteopathie. Een baby kan als gevolg van een lange of juist erg snelle bevalling klachten ontwikkelen. Een voorbeeld hiervan is een huilbaby. Osteopathie kan hierop goed inspelen.

Het kan zijn dat darmkrampjes bij huilbaby's veroorzaakt worden doordat bij de geboorte hun schedelbasis bekneld is geraakt. Een in de verdrukking geraakte zenuw of bloedvat beïnvloedt de darmen. Door het hoofdje te behandelen, verdwijnen de krampjes.

In 2006 heeft er in het blad 'Kraamsupport' op pagina 22 en 23 een artikel gestaan over dit onderwerp. Hieronder kunt u een deel vinden van het artikel, wilt u het hele artikel lezen klik dan hier

BEHANDELING De behandeling begint met het invullen van een vragenlijst, waarbij de hele medische en sociale geschiedenis van de patiënt ter sprake komt. Huib Konings: ‘Daarbij moet je denken aan ongevallen en ziektes, maar ook aan het verloop van de stoelgang en oude operaties. Hierna volgt een lichamelijk onderzoek, waarbij ik achtereenvolgens het bewegingsapparaat, de organen, de schedel en het heiligbeen onderzoek. Osteopaten zijn op zoek naar het mobiliteitsverlies, dat het meeste stoort en pakken dat vervolgens aan’, verduidelijkt Konings. ‘Daarmee nodig je het lichaam uit het zelfgenezend vermogen aan te spreken. Osteopaten schrijven geen medicijnen voor: alles wat we nodig hebben, zijn een behandelbank, twee handen en een gezond verstand.’


 KRACHTEN Bij de geboorte van een baby komen enorme krachten vrij. Zeker als de bevalling heel snel verloopt of juist heel lang duurt, en/of als het kindje via een keizersnede of een tangverlossing ter wereld moet 
 ‘Het indrukken van de schedel tijdens de bevalling kan een enorme inpact hebben op de rest van het lichaam’
 komen. Konings: ‘Het indrukken van de schedel tijdens zo’n bevalling kan een enorme inpact hebben op de rest van het lichaam. Dat uit zich onder meer in excessief huilen, onrust, moeite met eten en darmkrampjes. Zonder behandeling kunnen op latere leeftijd allerlei fysieke problemen ontstaan.’
 
PASGEBORENEN De handgrepen van een osteopaat zijn dermate subtiel, dat baby’s al kort na de bevalling behandeld kunnen worden. Konings: ‘De jongste baby, die ik heb behandeld, was twee weken oud. Dat is overigens wel aan de jonge kant. Een pasgeboren kind moet de tijd krijgen om zich aan te passen. Dan is ook beter in te schatten of de klachten structureel zijn. Anderzijds help ik baby’s die met een duidelijke vervorming aan de schedel worden geboren het liefst zo snel mogelijk. Die moet je meteen weer terugbrengen naar vrijheid van bewegen.’ Hoewel het aantal doorverwijzingen via de verloskundigen en kraamverzorgenden gestadig groeit, vinden de meeste ouders nog altijd via via de weg naar de praktijk van de osteopaat. ‘Ik vind het spijtig, dat kinderartsen niet zelf naar ons verwijzen. Het zou mooi zijn als baby’s direct na hun geboorte zouden worden onderzocht door een osteopaat. Die kan direct voelen of alle bewegingen in de schedel vrij zijn; het zou veel problemen kunnen voorkomen.’


 MOBIEL Met kleine kinderen moet je uiteraard heel voorzichtig te werk gaan. Konings: ‘Ik leg het kind eerst heel voorzichtig op een kussen en controleer vervolgens of het spanning met zich meedraagt. Dat doe je door heel licht te voelen en de reacties daarop te observeren. Alles moet mobiel zijn. De bewegingen die je van een kind mag verwachten, moet het ook maken. Verder controleer ik alle bewegingen vanaf het bekken, het abdomen (buik), de ribbenkast en de schedel. Daarbij let ik met name op het achterste gedeelte van de schedel. Dat heeft de meeste druk tijdens de bevalling doorstaan en is ook het gedeelte waar de wervelkolom op aansluit. Als daar bijvoorbeeld een zenuw subtiel bekneld raakt, worden verkeerde signalen afgegeven en dat kan bijvoorbeeld darmkrampjes veroorzaken. Als je de spanning bij de schedelkolom kunt weghalen, verdwijnen ook de krampjes.’
 

MOOIE MOMENTEN ‘De techniek, die ik tijdens mijn handgrepen toepas, is zo subtiel, dat het lijkt alsof ik niets anders doe, dan mijn handen rond het hoofdje van het kindje plaatsen. Ik denk tijdens zo’n behandeling eigenlijk alleen maar aan wat ik zou willen doen. De spanning die dat in mijn vingers teweegbrengt, is voldoende om mijn invloed over te brengen op de schedel. Dat is misschien moeilijk voor te stellen. Maar bedenk zelf maar eens, dat je iemand, die je een hand geeft, hard wilt gaan knijpen. Zo lijkt het alsof ik niets doe, maar ondertussen ben ik heel bewust bezig met bewegingen waarmee ik de structuur bij het kind vrij kan maken. Soms zie je het kindje een zucht geven en dan voel ik dat het letterlijk en figuurlijk de spanning loslaat. Dat zijn mooie momenten voor een behandelaar.’